Merho in het hoofd van Kiekeboe

de 20 meest gestelde vragen aan Merho

Het hele jaar door krijgt Merho vragen van scholieren en studenten voor interviews in opdracht van leraren Nederlands, voor schoolkrantjes, spreekbeurten en eindwerken. Omdat het er steeds meer worden, is het ondoenlijk om nog op die verzoeken in te gaan. Daarom bundelen we hier de 20 meest gestelde en steeds weerkerende vragen aan Merho.

1. Waarom ben je striptekenaar geworden?
Omdat ik verhalen wilde vertellen. Als kind had ik een poppenkast. En het leukste vond ik om steeds nieuwe verhaaltjes te bedenken. Op een dag kwam ik erachter, dat je met strips veel meer mogelijkheden had. Wilde achtervolgingen met auto's, uit een vliegtuig springen, vechten met tien dinosaurussen, alles kon. Zoiets was, om practische redenen, onmogelijk in een poppenkast. Zo ben ik strips beginnen tekenen.


2. Kon je dan goed tekenen?
Dat was mijn probleem. In de kleuterschoolschool zei de juffrouw reeds dat ik zeer onhandig was. Volgens haar zou ik nooit mooi kunnen schrijven of tekenen. Maar in de vierde klas had ik een leraar die me de liefde voor tekenen bijbracht. Verder heb ik ontzettend veel overgetekend uit andere strips. Al vlug bleek dat ik later striptekenaar wilde worden.


3. Welke opleiding heb je gevolgd?
Toen ik twaalf was, wilde ik naar de tekenschool. Mijn ouders stonden erop dat ik eerst humaniora volgde, zodat ik een echt diploma op zak zou hebben. Mijn vader hoopte dat tegen die tijd mijn strip-bevlieging voorbij was. Tegen mijn zin heb ik me door de humaniora geworsteld. En toen ik achttien was, moest mijn vader zijn belofte helaas wel nakomen en mocht ik eindelijk naar de tekenschool. Ik heb 4 jaar Sint-Lukas instituut in Brussel gevolgd.


4. Hoe ben je in het stripvak begonnen?
Toen ik in juni 1970 was afgestudeerd, moest ik eerst nog bij het leger. In de tussentijd zocht ik voor enkele maanden een job, liefst als striptekenaar. Zo kwam ik bij Willy Vandersteen terecht. Studio Vandersteen was toen nog heel groot, want buiten Suske en Wiske en de andere Vlaamse series, werd er per week een volledig verhaal van Jerom plus een volledige Bessy getekend voor de Duitse markt. Met die Jeromverhalen leerde ik de knepen van het vak. Na drie maanden moest ik echter naar het leger. Maar een jaar later ben ik terug gekeerd naar Vandersteen en ik ben er gebleven tot ik begin 1977 startte met Kiekeboe.


5. Waarom ging je een eigen strip maken?
Het was van jongsaf aan mijn bedoeling geweest een eigen stripreeks te maken. Na meer dan vijf jaar bij Vandersteen, dacht ik: "Nu of nooit". Ik kreeg de kans om voor een grote krant (Het laatste Nieuws) een eigen strip te maken. Alle dagen in de krant met iets van jezelf. Daar had ik altijd van gedroomd. Die kans kon ik niet laten schieten. Willy Vandersteen had daar alle begrip voor. Die eigen strip was Kiekeboe.


6. Waar komt de naam Kiekeboe vandaan?
Mijn oudere broer stond in het onderwijs en speelde in zijn vrije tijd poppenspel. Anders dan ik met mijn klein poppenkastje, speelde hij op allerlei feestjes in heel het Vlaamse land. Oorspronkelijk heette dat poppenspel "Knik en Knok". Daarin speelde een zekere agent Japwater mee. Uit die figuur is Kiekeboe ontstaan. Omdat ik toen al tekende, vroeg mijn broer om hiervoor een kop te ontwerpen. Omdat een poppenkop van op afstand duidelijk zichtbaar moet zijn, kreeg hij een dikke neus, grote ogen en vooral een grote snor. De tegenstander van Kiekeboe in het poppenspel was Balthazar. Toen ik later een eigen stripreeks ging ontwerpen, leek het me wel wat om van die figuur te vertekken. Enkel met Kiekeboe en Balthazar werken, bood wel wat weinig mogelijkehden voor een strip. Toen heb ik er Charlotte, Fanny en Konstantinopel bij bedacht. Later aangevuld met de buren, Moemoe, Van de Kasseien en vele anderen. Dat was dan weer een probleem voor het poppenspel. Want elke pop vraagt een hand.


7. Waar haal je de inspiratie vandaan?
Televisie, film, kranten, tijdschriften, boeken... In alles wat ik lees of bekijk, zoek ik of er geen idee voor een verhaal inzit. Door de jaren heen ontwikkel je daarvoor een zesde zintuig en pik je automatisch dingen op die bruikbaar zijn. Als ik een leuk basisidee heb, leg ik een map aan. Artikels, invallen, grappen, situaties, kortom alles wat bruikbaar is, gaat in de map. Tot ik genoeg materiaal heb, of gewoon zin om er iets mee te doen.. Dan begint het gepuzzel tot er een bruikbaar verhaal uit tevoorschijn komt. Ook als er me een leuke naam te binnen schiet, wordt die toegevoegd aan de map "namen".


8. Hoe komt een strip tot stand?
Als het idee voor het verhaal er eenmaal is, schrijf ik het uit in een zestal velletjes. De zogenaamde synopsis. Daarmee weet ik hoe het verhaal begint, hoe het ongeveer zal verder lopen en hoe het eindigt. Eens per week schrijf ik de dialogen uit en maak terzelfdertijd een bladindeling.

Daarna wordt pagina per pagina de compositie aangeschetst. Daarvoor gebruik ik allerlei documentatie. Foto's voor de decors en de kledij, schaalmodellen voor auto's, want alles moet nauwkeurig juist zijn. De ruwe schetsen geef ik door aan een medewerker, die alles netjes uittekent. Vervolgens gaat een inkter met een chinese inkt en fijn pennetje over de potloodlijnen. Het tekenen gebeurt ongeveer eens zo groot als de afdruk in het album. Tegenwoordig heb ik een medewerker die de tekenstijl zo beheerst, dat hij alles zelf van het wit blad kan tekenen.

Eens de geïnkte pagina klaar is, wordt ze ingescanned en op de computer met Photoshop ingekleurd. Het hele verhaal wordt op een cd-rom geschreven en gaat zo naar de uitgever. Die zorgt ervoor dat het album gedrukt wordt en in de winkel terecht komt.


9. Hoelang werk je aan een album?
De verhalen lopen eerst in afleveringen van halve pagina's de krant. Dat duurt drie en een halve maand per verhaal. Dus dat wil zeggen dat we drie en een halve maand tijd hebben voor een nieuw album.


10. Heb je medewerkers?
Twee tekenaars en een inkleurster. Peter Koeken inkt al van in 1986 de tekeningen en sinds januari 2003 doet Dirk Stallaert het potloodwerk. Het is de bedoeling dat hij de nieuwe tekenaar van Kiekeboe wordt, zodat ik me uitsluitend met de verhalen kan bezig houden. Mijn vrouw Ria verzorgt de inkleuring.


11. Zijn de personages gebaseerd op echte mensen?
Ik zeg altijd dat ze gebaseerd zijn op echte mensen die niet bestaan. Daarmee bedoel ik, dat ik trekjes overneem van mensen die ik ken zonder van die persoon een herkenbare karikatuur te maken. Meestal stop ik er karaktereigenschappen van verschillende mensen in. Zo is Moemoe gebaseerd op mijn moeder, een tante en de grootmoeder van mijn vrouw.


12. In welk personage herken je jezelf het meest?
Mensen die me goed kennen, zeggen dat ik wel trekjes van Kiekeboe heb. Alhoewel me dat zelf niet opvalt. Uiteindelijk zit er in allemaal wel iets van mezelf. Als ik een bepaald personage teken, of er een dialoog voor schrijf dan kruip ik telkens een beetje in zijn of haar huid. Het is zoals een acteur die verschillende typetjes speelt.


13. Welk is je lievelingsfiguur?
Fanny heeft altijd mijn lichte voorkeur gehad. Ik ben uiteindelijk ook maar een man. Fanny is duidelijk ook het populairst bij het publiek. En niet alleen bij mannen. Dat merk ik telkens weer, als ik op de Boekenbeurs ga signeren.


14. Van welk Kiekeboe-album hou je zelf het meest?
Mijn voorkeur gaat uit naar de absurde albums, zoals Album 26, Afgelast wegens ziekte, De wereld volgens Kiekeboe, De Simstones en De Heeren van Scheurbuyck. Van de meer klassieke verhalen heb ik een lichte voorkeur voor Schiet niet op de pianist en De S van Pion.


15. Lees je ook andere strips?
Ik lees zelfs mijn eigen strips niet. Eens een album klaar is, ben ik al lang met het volgende bezig en wis ik het vorige van mijn harde schijf. Ik ben ook niet echt een gepassioneerd striplezer. Want als je er de hele dag al mee bezig bent, wil je daarna wel eens wat anders lezen. Iemand die de hele dag in een frituur staat, heeft 's avonds ook geen zin meer in frieten. Ik volg beroepsmatig wel wat de nieuwe ontwikkelingen zijn op de stripmarkt. Maar als ik dan al eens een strip voor mijn plezier lees, grijp ik makkelijk terug naar de klassiekers uit mijn jeugd. Een oude Sus en Wis, Nero, Kuifje of Lucky Luke.


16. Hoe lang ga je er nog mee door?
Zolang ik er zin in heb, en ik genoeg ideeën vind voor leuke verhalen.


17. Zou je nog een tweede stripreeks willen tekenen?
Tekenen niet. Iets voor een andere tekenaar schrijven, misschien wel. Maar het liefst van al zou ik nog eens een spannende thriller willen schrijven.


18. Hoe oud ben je?
Ik ben geboren op 24 oktober 1948. Dus reken zelf maar uit ...


19. Wie zijn je idolen?
In het stripvak Willy Vandersteen, mijn leermeester. Hergé, de tekenaar van Kuifje en Franquin, de ontwerper van Guust Flater. Maar al sinds mijn prille jeugd zijn mijn grote helden Laurel en Hardy.


20. Wat zijn je hobby's?
Niks spectaculairs. Ik hou van reizen, lekker eten, cabaret en film. Ik ga heel graag fietsen en ik lees veel. Vooral biografiën en spannende boeken.







laatste aanpassing